Biodiversity and Ecology
6 EC
Semester 2, periode 6
5042BIEC6Y
| Eigenaar | Bachelor Biologie |
| Coördinator | dr. Gerard Oostermeijer |
| Onderdeel van | Bachelor Biologie, jaar 1Pre-master Biological Sciences, jaar 1 |
| Links | Zichtbare leerlijnen |
De hoorcolleges van week 1 geven een overzicht van de verwantschappen van de verschillende plantenfamilies en insectenordes en sommige belangrijke subordes en families. Tijdens de colleges worden belangrijke kenmerken/begrippen uitgelegd die nodig zijn om organismen te kunnen determineren. Ook wordt in hoorcolleges ingegaan op aanpassingen van planten en insecten aan hun leefmilieu en belangrijke milieufactoren. Specifieke hoorcolleges zijngewijd aan aquatische en mariene organismen. Eén hoorcollege is gewijd aan de ecologie van bodems en het belang van bodems voor planten en insecten en omgekeerd.
Tijdens de practica in week 1 kun je oefenen met het determineren van planten, insecten en waterdieren, waarbij je de kennis van de hoorcolleges in de praktijk kunt toepassen en kunt testen of je die stof hebt begrepen. Er is één practicum voor insecten, één voor aquatische/mariene organismen en twee voor planten (een algemeen en een speciaal voor de moeilijke grasachtigen).
De dagexcursies in week 2 dienen voor het verder oefenen met het leren herkennen van planten, insecten en andere organismen die karakteristiek zijn voor verschillende leefmilieus. Ook de interacties tussen organismen onderling en tussen organismen en hun leefmilieu (habitat) worden in het veld uitgebreid gedemonstreerd. De waargenomen en in het veld uitgelegde ecologische interacties vormen een belangrijke basis voor de meerkeuze-tentamenvragen.
Tijdens de veldwerkweek in Zuid-Limburg wordt in het onderzoeksgebied projectmatig in groepen de biodiversiteit op negen monsterpunten bemonsterd en op naam gebracht. Voor planten doen we dat in de vorm van vegetatieopnamen (één per monsterpunt per groep), de insecten bemonsteren we door middel van vangbekers, slepen met een sleepnet en kloppen met een klopnet. De planten determineren we tot op de soort in het veld, met Heukels' Flora en een loep. De insecten worden op de eerste twee dagen van de laatste week uitgezocht, gedetermineerd tot op de orde en voor kevers op familie, en de loopkevers worden tot op de soort gedetermineerd. Ook worden bodemprofielbeschrijvingen gemaakt en worden de pH en mineralenrijkdom (EGV) van de bodemmonsters 's avonds in een grote 'lab-sessie' gemeten. In Limburg is er ook een avondexcursie naar de Meertensgroeve, waar de daar voorkomende bijzondere herpetofauna wordt gedemonstreerd en de ecologie ervan wordt uitgelegd. Als het donker is gaan we met laken en lamp de nachtvlinderfauna in de groeve onderzoeken. De praktijk leert dat de vangst toeneemt naarmate het later en donkerder wordt, dus deze excursie eindigt vaak pas rond middernacht.
In de laatste week werken de groepen de eerste twee dagen hun faunavangsten uit en voeren de data ervan in (de flora- en bodemdata voeren we in Limburg 's avonds al in). Met de verkregen databestanden worden overzichtelijke figuren gemaakt en enkele analyses uitgevoerd om daarmee specifieke vragen over de ecologische relaties tussen milieuvariabelen en flora en fauna te kunnen beantwoorden. Die vragen zijn weer onderdeel van het meerkeuzetentamen, dus de antwoorden op die vragen heb je in de dagen ervoor verkregen.
De toetsing van de stof bestaat dus uit een meerkeuzetentamen over de dagexcursies en de Limburg-opdrachten en daarnaast twee zg. 'herkenningstoetsen' waarvoor je 10 levende planten tot op de familie moet kunnen herkennen (wetenschappelijke naam!) en 10 insecten tot op hun (sub)orde of voor de kevers de familie. Daarbij gebruiken we alleen families en (sub)ordes die je tijdens de cursus goed gedemonstreerd hebt gekregen. De insecten heb je de dagen ervoor al uitgebreid gedetermineerd, en de kennis van de plantenfamilies wordt tijdens de dagexcursies en het veldwerk uitgebreid geoefend.
Activiteit | Uren | |
Deeltoets | 2 | |
Excursie | 32 | |
Hoorcollege | 18 | |
Practicum | 56 | |
Tentamen | 2 | |
Veldwerk | 40 | |
Zelfstudie | 18 | |
Totaal | 168 | (6 EC x 28 uur) |
Aanwezigheidseisen opleiding (OER-B):
Aanvullende eisen voor dit vak:
Omdat we excursies en veldwerk niet kunnen overdoen is het bijwonen en meedoen daaraan niet alleen verplicht, maar ook essentieel voor het kunnen slagen voor de cursus. Vervangende opdrachten doen we in principe dus niet aan, en zijn slechts in zeer uitzonderlijke gevallen (aantoonbare overmacht, overlijden familielid, etc.) mogelijk. Bespreek afwezigheid altijd vooraf met de coördinator van de cursus.
| Onderdeel en weging | Details |
|
Eindcijfer | |
|
0% Deeltoetsen (flora en insecten) |
Om te kunnen slagen moet je voor het tentamen en elke individuele herkenningstoets hoger dan 5,1 hebben gehaald. Als je één van de onderdelen niet hebt gehaald hoef je de onderdelen die je wél hebt gehaald niet over te doen.
Het beste inzagemoment is in principe direct na afloop van tentamen en toetsen, wanneer alle docenten nog aanwezig zijn. Daarvoor is gelegenheid tijdens een korte evaluatie achteraf. Daarna kun je voor inzage altijd een afspraak maken met de cursuscoördinator.
De dagexcursie en Limburg-opdrachten worden in groepsverband uitgevoerd. Elke groep heeft een flora- en faandocent tijdens de dagexcursies en een vast begeleider tijdens het Limburg-project. Voor controle op de juiste beantwoording van de vragen over het Limburg-veldwerk wordt een nabesprekings(feedback)schema gemaakt.
Dit vak hanteert de algemene 'Fraude- en plagiaatregeling' van de UvA. Hier wordt nauwkeurig op gecontroleerd. Bij verdenking van fraude of plagiaat wordt de examencommissie van de opleiding ingeschakeld. Zie de Fraude- en plagiaatregeling van de UvA: http://student.uva.nl
| Weeknummer | Onderwerpen | Studiestof |
| 1 | ||
| 2 | ||
| 3 | ||
| 4 | ||
| 5 | ||
| 6 | ||
| 7 | ||
| 8 | ||
| 9 | ||
| 10 | ||
| 11 | ||
| 12 |